Methodologie

Complex en ingewikkeld

Om de carbon footprint van logistiek te bepalen, bekijk je de uitstoot van al die activiteiten naar een specifieke lading. Dat lijkt op het eerste gezicht ingewikkeld. Want in de praktijk zijn er nogal veel verschillende middelen die ingezet worden. Elk met hun eigen uitstoot.

Dat loopt van vrachtauto’s, busjes en bakfietsen tot treinen, boten of vliegtuigen. Onderweg wordt de lading misschien opgeslagen of overgeladen. En soms ‘moet er nog iets terug’, zoals containers, kratten, pallets enzovoort. Soms kan een transporteur niet ‘vol rijden’ of erger nog, soms moet deze een stuk zonder lading rijden.

Een extra complicerende factor is dat iedereen in de sector graag werk of ritten uitbesteedt. Gelukkig wordt lading tegenwoordig steeds vaker slim gecombineerd, dat scheelt uitstoot. Maar ook dat maakt het bepalen van de footprint niet makkelijker. Zeker als je daarbij bedenkt dat verladers graag de footprint van de hele keten willen weten, terwijl transporteurs zich liever beperken tot hun eigen bijdrage.

Een geschiedenis van verschillende generaties

Het gevolg van bovengenoemde complexiteit is dat er inmiddels een geschiedenis is opgebouwd van verschillende generaties voor het verzamelen van data, het berekenen van uitstoot en de rapportage erover:

  • Het begon met eenvoudige modellen. Stafafdelingen gingen ketens en uitstoot modelleren, om zo de uitstoot met behulp van kengetallen vast te stellen. Er was op dat moment geen andere manier om inzicht te krijgen.
  • De modellen ontwikkelden zich van zelfgebouwde spreadsheets naar professionele software tools.
  • Inmiddels is uitstoot actueler dan ooit. Het is een bedrijfsdoel an sich geworden; bedrijven concurreren op uitstoot en de ze verwerken de uitstoot in de productprijs. Daardoor is de vraag naar een set boekhoudregels toegenomen. Modelleren is dan niet meer genoeg: er is een boekhoudkundige aanpak nodig voor de registratie van data en de berekening van de resultaten. Op die manier kunnen bedrijven een goedkeurende accountantsverklaring te krijgen die zich ook over CO2-uitstoot uitstrekt.
  • De laatste stap is een ketenboekhouding met eenduidige uitwerkingen van richtlijnen en methodes. Want vanwege de hoeveelheid werk die uitbesteed wordt, spelen onderaannemers een belangrijke rol. Hun input moet meegenomen worden en goedgekeurd zijn. De Carbon Footprinting methode voorziet hierin.

 

Green House Gas protocol en EN 16258

Vrijwel alle methodologieën gebruiken nu het Green House Gas protocol als uitgangspunt. De Europese standaard EN 16258 was het eerste grote initiatief om tot een praktische en wetenschappelijk kloppende methode voor het toekennen van uitstoot aan logistiek en transport te komen.

Inmiddels zijn er verschillende initiatieven die voortborduren op EN 16258 en op specifieke vlakken aanvullende en aangescherpte methoden – frameworks – toevoegen, bijvoorbeeld:

 

 

Je kunt deze frameworks zien als verzamelingen van methoden en richtlijnen, waarbinnen gebruikers voor een deel kunnen kiezen welke normen en dataniveau’s zij hanteren. Daardoor ontstaan verschillen. Deze verschillen kunnen tot inconsistenties leiden tussen rapportage van uitstoot en intensiteiten. Veel CO2-reductieprogramma’s wijzen daarom niet alleen de frameworks aan die zij hanteren, maar vullen deze ook aan met eigen specificaties:

  • voor de emissie-intensiteitsfactoren
  • voor de manier waarop de vervoersafstand wordt berekend voor allocatie
  • voor de (primaire) data vereisten

Om de boekhoudkundige registratie en controle goed te kunnen regelen, is in Nederland door de Topsector Logistiek een uitgebreide set richtlijnen ontwikkeld die je op deze website vindt. De richtlijnen gaan uit van de COFRET–aanbevelingen. Op basis van deze richtlijnen worden tegenwoordig ook tools ontwikkeld en aangeboden, naast de modelsoftware.

GHG protocol

Het Green House Gas Protocol is een door veel organisaties gebruikt protocol dat bestaat accounting en reporting standaarden, sector richtlijnen en rekenmiddelen. Het protocol is ontwikkeld in een partnerschap tussen het World Resources Institute (WRI) en het Business Council for Sustainable Development (WBCSD).

Het GHG protocol verdeelt emissies in drie scopes, die breed gedragen worden onder alle frameworks en methoden.

  • Scope 1: Directe GHG uitstoot van een organisatie. Omvat alle uitstoot die een direct gevolg is van verbranding van brandstof of direct vrijkomen van GHG door eigen activiteiten.
  • Scope 2: Indirecte GHG uitstoot uit elektriciteit. Bevat alle emissie van energie die is ingekocht in de vorm van elektriciteit.
  • Scope 3: Overige Indirecte GHG uitstoot. Bevat alle overige emissie die gevolg zijn van de activiteiten van het bedrijf.

Bronnen:

  • GHG protocol 2021

EN 16258

EN 16258 is de Europese standaard voor het berekenen en rapporteren van GHG-emissies van transport. De standaard bevat algemene principes, definities, systeemgrens beschrijvingen, rekenmethodes en aanbevelingen op het gebied van data. De standaard wordt breed gedragen door carbon footprinting tools, programma’s en deelnemers.

De standaard geeft zowel richtlijnen voor allocatie van verbruik als voor het schatten van verbruik. De richtlijn bevat gedetailleerde emissie tank to wheels en well to wheels emissiefactoren voor de meest gebruikte brandstoffen, of blends van brandstoffen (Annex A). Voor de allocatie van brandstof aan de activiteit worden richtlijnen gegeven voor het omgaan met lege ritten en distributie ritten. De richtlijn geeft verschillende opties voor het gebruik van primaire data of schatten van brandstofverbruik, maar laat hierbij veel invulling aan de gebruiker over.

Bronnen:

  • NEN EN 16258:2012

GLEC

Het Global Logistics Emission Council (GLEC) Framework is een uitgebreide methodologie, gebaseerd op een consensus onder het GLEC counsel. Het framework biedt richtlijnen voor het gebruik van primaire data, maar voegt met name een uitgebreide richtlijn toe voor een meer gestandaardiseerde benadering van uitstoot in gevallen waarin primaire data niet beschikbaar is.

Voor de allocatie van emissie aan transportactiviteit maakt GLEC een aantal specificaties binnen EN 16258. Allocatie gebeurt strikt op basis van gewicht. Andere limiterende factoren als volume kunnen alleen als additionele factoren gebruikt worden. Afstand bepaling voor het bepalen van de vervoersprestatie (ton.km) waaraan uitstoot in lijn met EN 16258 wordt gealloceerd op basis van geplande afstand. De belangrijkste motivatie voor deze keuze is ‘draagvlak’ onder gebruikers.

Ter ondersteuning van het benaderen van uitstootdata wordt een typologie van vervoerscategorieën ontwikkeld. Deze omvatten zowel voertuig, vracht, contract en geografische eigenschappen. Voor deze categorieën worden niet alleen specifieke emissiefactoren gegeven, maar ook aannames en correcties op het gebied van vulgraden en inschatten van afgelegde afstand voor het bepalen van uitstoot. Hiermee streeft het framework naar een preciezere en meer transparante benadering voor het schatten van uitstoot.

Bronnen:

  • GLEC framework 2020

Clean Cargo Work Group

Clean Cargo Work Group (CCWG) heeft een methodologie ontwikkeld specifiek voor containerzeevracht. De standaard bouwt voort op onder andere het GHG-protocol en EN 16258, en is complementair aan het GLEC framework.

Het programma specificeert voor iedere situatie in hoeverre en in welk detail niveau primaire data gebruikt moeten worden, aan de hand van de toegang tot informatie die redelijkerwijs voor handen is. Voor het schatten van uitstoot voorziet CCWG in trade-lane, of zelfs vaartuig, specifieke emissie intensiteit factoren die met name voor gebruik door verladers bedoeld zijn.

Bronnen:

Clean Cargo Working Group Carbon Emissions Accounting Methodology

COFRET

COFRET is een door de Europese Commissie co-gefinancierd onderzoeksproject en werkgroep gericht op transparantie op het gebied van methoden, tools en databases. Het project heeft onduidelijkheden en dubbelzinnigheden in EN 16258 geïdentificeerd en een framework met mogelijke oplossingen voorgedragen. Hieruit is onder andere een methode voortgekomen de emissie van een rit op een eerlijke manier aan onderliggende stops toe te wijzen. Uit het project kwam ook de behoefte naar standaardisatie en richtlijnen in het schatten van emissie naar voren, wat een directe aanleiding voor de ontwikkeling van het GLEC framework is geweest. In de application notes wordt beschreven hoe deze makkelijke manier om CO2-berekeningen te doen werkt.

  • COFRET-rapportage
  • Application note CPI

Samenvatting Franse E-commerce code
(AFNOR SPEC X43-072)

AFNOR SPEC X43-072 is een door de Franse vervoersbranche ontwikkelde specificatie voor het berekenen van broeikasgassen van e-commerce operaties. De methode is gebaseerd op de Franse vervoerswet (art. L.1431-3), EN16258 en GLEC frameworks, en vormt voornamelijk een verdere specificatie van aspecten die binnen deze frameworks open worden gelaten.

De methode richt zich sterk op het mogelijk maken van vergelijk en consolidatie van gegevens van verschillende bedrijven, met verschillende schaal en data beschikbaarheid. Om hierin te voorzien schrijft de methode een constructie voor waarop brandstof data of kengetallen worden gevat in factoren die onafhankelijk van datakwaliteit op dezelfde manier worden gebruikt voor het uitrekenen en vergelijken van uitstoot. Daarbij is ook een ‘nauwkeurigheidsscore’ ontwikkeld die aangeeft in welke mate en welk detail primaire data voor de berekening is gebruikt. Daarnaast wordt het gebruik van een 3e partij (trusted third party) aangemoedigd om in de data uitwisseling te voorzien.

Opzet van de methode

In lijn met GLEC en art. L.1431-3 van de Franse vervoerswet wordt uitstoot in eerste instantie berekend (en gealloceerd) op basis van gewicht, eventueel aangevuld met uitstoot per vervoerde collo. De basis van de methode is een berekening van de uitstoot op basis van het gewicht van de lading, afstand en beladingsgraad, en voertuig (vervoerswijze, brandstof en vervoerder). Door aan deze structuur vast te houden richt de methode zich op een universele vorm die altijd vergeleken kan worden, waarbinnen de gebruiker kan kiezen in hoeverre deze onderdelen geschat worden op basis van kengetallen, of bepaald worden op basis van gemeten waarden.

Zo kan bijvoorbeeld de standaard beladingsgraad specifieker gemaakt worden door de manier van beladen te specificeren, of nog verder door een gemeten beladingsgraad te gebruiken. Vergelijkbaar kan bijvoorbeeld het verbruik verfijnd worden door een specifieker kengetal op basis van de versie van het voertuig en type ververvoersactivieit toe te passen, of zelfs op basis van werkelijk gemeten verbruik over een recente periode (in EN16258 aangeduid als ‘transport operator specific values’).

Nauwkeurigheidsscore

De nauwkeurigheid van de berekening wordt bepaald uitgedrukt in een energie label achtgige score (A t/m G) op basis van de nauwkeurigheid van de gebruikte data voor 3 factoren:

• De beladingsgraad (bepaald de score voor 69%)
• Het percentage leegrijden (bepaald de score voor 23%)
• Het energieverbruik per km (bepaald de score voor 8%)

Ieder van de factoren krijgt een waarde 1 t/m 3 toegekend:

1. Gebruik van een standaardwaarde
2. Gemiddelde gemeten waarde voor van de voerder voor dit voertuig, of een groep vergelijkbare voertuigen, gebaseerd op maximaal een jaar
3. Gemiddelde gemeten waarde voor het voertuig, gemeten over een kortere periode, voor activiteiten die horen bij het type vervoersverachting en segment.

De totale nauwkeurigheidsscore is voornamelijk op beladingsgraad gebaseerd omdat deze sterk van het gebruik van de voertuigen afhangt, en daarom in de praktijk sterk verschilt tussen vervoerders en ritten, terwijl het verbruik per km voor een type voertuig constanter is zolang deze goed gespecificeerd is.